Repareert Tweede Kamer historische scheefgroei in bewegingsonderwijs?

Door dr. Jo Lucassen (Mulier Instituut)

In Nederland hebben we een historisch gegroeide disbalans in het bewegingsonderwijs. Waar in het voortgezet onderwijs de gymles alleen door hbo-opgeleide vakleerkrachten mag worden gegeven, zijn voor hetzelfde vak op de basisschool ook groepsleerkrachten bevoegd (zij het na 2005 alleen met een aanvullende leergang). De situatie is het resultaat van een historisch proces waarbij het vak zo’n dertig jaar eerder als wettelijk verplicht vak in het voortgezet onderwijs[i] werd ingevoerd (1863) dan voor het basisonderwijs (1890) en de beloning voor gymleraren in het primair onderwijs lange tijd minder goed was dan die voor groepsleerkrachten po en voor leraren in het vo.

Vakleerkracht

De kwaliteit van dit vak is daardoor op de basisschool minder stevig geborgd. Dat is vreemd omdat juist op de basisschool de fundamenten voor een sportieve en actieve leefstijl kunnen worden gelegd. Kleuters die van een vakleerkracht les krijgen, ontwikkelen in enkele jaren tijd een duidelijke voorsprong in motorische ontwikkeling (Schipper, Deerenberg, Bouthoorn, & Toussaint, 2014). Bij de 0-meting die het Mulier Instituut in 2013 uitvoerde (zie verderop), bleek dat het er met het bewegingsonderwijs op basisscholen niet overal even florissant voorstaat. Mede als reactie hierop, lanceerde staatsecretaris Sander Dekker in samenwerking met de PO-raad een plan van aanpak. Vrijdag 29 januari informeerde de staatssecretaris de Tweede Kamer over de voortgang van het plan van aanpak bewegingsonderwijs.

Verschillende partijen in de Tweede Kamer blijken niet onder de indruk van de acties van de staatsecretaris en de gerealiseerde voortgang en komen nu zelf met initiatieven. Zo heeft kamerlid Michiel van Nispen (SP) een initiatiefwet over meer en beter bewegingsonderwijs in het primair onderwijs ontwikkeld (TK 34420-2 en TK 34420-3) en wil de VVD een wetsvoorstel indienen dat basisscholen verplicht de gymlessen alleen nog door afgestudeerde sportleraren te laten geven. Recent onderzoek geeft aanwijzingen voor de mate waarin bewegingsonderwijs door vakleerkrachten verschilt van dat door (al dan niet nageschoolde) groepsleerkrachten.

Onderzoek

Het Mulier Instituut volgt de ontwikkelingen rond sport en bewegen in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs al een decennium op de voet. Daarbij zijn met name de omvang, kwaliteit en effecten van het bewegingsonderwijs op scholen onderzocht. Het onderzoek geeft enig inzicht in verschillen in gerealiseerde onderwijskwaliteit tussen vakleerkrachten en groepsleerkrachten ()

In de Nulmeting Bewegingsonderwijs zijn de bevoegdheid van de leraar voor bewegingsonderwijs, de lestijd en lesfrequentie en de kwaliteit van het bewegingsonderwijs onderzocht. De nulmeting stelt verschillen in methodische kwaliteit vast tussen scholen met alleen vakleerkrachten en scholen met alleen groepsleerkrachten. Uit het rapport blijkt onder andere dat een kwart van de basisscholen alleen vakleerkrachten inzet voor het bewegingsonderwijs. De overige scholen zetten alleen groepsleerkrachten in (46%) of een combinatie van beiden (29%). Met name de scholen die groepsleerkrachten inzetten voor bewegingsonderwijs, hebben problemen om de lessen altijd door een bevoegde leerkracht te laten verzorgen. Op een kwart van de scholen wordt ook wel door onbevoegde leerkrachten bewegingsonderwijs gegeven.

Kwaliteit

Duidelijke aanwijzingen voor verschillen in gerealiseerde kwaliteit tussen leergangvolgers en vakleerkrachten komen in beeld in de in 2012 uitgevoerde evaluatie van de leergang onder gebruikers (693 basisscholen). Opvallend is dat de scholen met ALO-vakleerkrachten bij elke stelling een hogere mate van kwaliteit bieden dan de scholen met alleen leerkrachten met de oude brede bevoegdheid. De scholen met leerkrachten met de nieuwe brede bevoegdheid nemen telkens een middenpositie in.

In hoofdstuk 11 (Sport en onderwijs) van de Rapportage Sport concluderen onderzoekers van het Mulier Instituut dat de invoering van de combinatiefuncties een kwaliteitsimpuls heeft gegeven aan sport en bewegen op school. Ondanks alle aandacht voor sport en bewegen neemt de hoeveelheid gerealiseerde onderwijstijd voor het schoolvak lichamelijke opvoeding echter niet duidelijk toe. Leerlingen van basisscholen met een actief beweegbeleid bewegen meer dan andere leerlingen. In het voortgezet onderwijs geldt dit voor een beperkte groep. Schoolsport en gerichte pauzeactiviteiten stimuleren het beweeggedrag van leerlingen. Daarnaast vormen voldoende accommodaties en goede materialen belangrijke voorwaarden om kinderen in beweging te krijgen.

Een nadere analyse van het promotieonderzoek van Dorine Collard concludeert dat het hebben van een vakdocent voor de lessen lichamelijke opvoeding positief wordt geassocieerd met de loopsnelheid/wendbaarheid van kinderen. In hetzelfde proefschrift wordt vastgesteld dat de motorische fitheid van kinderen in de basisschoolleeftijd tussen 1980 en 2006 substantieel achteruit is gegaan. Dit wijst op een negatieve trend in de motorische ontwikkeling van kinderen. Bovendien is juist na 2007 bij veel scholen bezuinigd, ook op het vakonderwijs. Alle reden dus om flink te investeren in de kwaliteit van het bewegingsonderwijs op de basisschool.

Kortom; er zijn duidelijke aanwijzingen voor de meerwaarde van onderwijs door vakleerkrachten op de basisschool. Hoog tijd om de historische scheefgroei te herstellen.

[i] Daarbij moeten we bedenken dat we dit nu bezien met ogen van de 21e eeuw. Voor 1900 werd nog volop ‘buiten gespeeld’, was sport nog nauwelijks ingeburgerd en werd fitheid van jongeren sterk in verband gezien met militaire weerbaarheid.

Literatuur

Schipper, A. d., Deerenberg, H., Bouthoorn, B., & Toussaint, H. (2014). Gymmen kleuters beter met een gymleraar? Sportgericht 68(3), 29-31.

sportexpert logo

Dit artikel is verschenen in Sportexpert. De online kennisservice voor iedereen die zich (beroepsmatig) bezighoudt met sport en bewegen.