Sport & Gemeenten (column)

De column van Hugo van der Poel

Duurzame kennis

Het Onderzoeksprogramma Sport 2013 – 2017 kent twee doelstellingen: 1) versterken van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van sport en bewegen, en 2) genereren van hoogwaardige en duurzame kennis voor beleid en praktijk. De meeste projecten in dit programma zijn vertraagd en lopen pas nu of zelfs in 2018 af. Niettemin lag er in juni 2017 al een positieve evaluatie van dit programma. Zoiets biedt natuurlijk ampel mogelijkheden voor cynische opmerkingen. Die verleiding weersta ik. In plaats daarvan wil ik de vraag stellen: hoe bepaal je dat de geproduceerde kennis ‘duurzaam’ is?

Het minste dat je in een omschrijving van duurzame kennis verwacht, is een tijdsperspectief: als iets duurzaam is, dan blijft het lange tijd bestaan. Sterker nog, bij duurzame kennis reken je erop dat je de kennis minimaal enige jaren, zo niet enige decennia, kunt gebruiken, want alleen in gebruik is kennis praktisch. Kennis die niet praktisch wordt ingezet, blijft theorie. Dat kan ook heel hoogwaardig en duurzaam zijn, maar kennis die niet wordt geadopteerd door en getoetst in en aan de praktijk, is geen ‘duurzame kennis voor beleid en praktijk’. Of het programma wat betreft de tweede doelstelling slaagt, kan dus pas na verloop van tijd echt worden vastgesteld.

Wel kan nu de vraag worden gesteld of aan de voorwaarden voor het ‘genereren van duurzame kennis’ is voldaan. Nogmaals: dat in een kennisbank  proefschriften zijn opgeslagen is fantastisch, maar we hebben er pas wat aan als de kennis die daarin is vervat stand houdt in de confrontatie met de werkelijkheid. Wat zouden voorwaarden kunnen zijn voor inzet van die kennis in de gemeentelijke beleidspraktijk? Allereerst sluit de kennis aan op de vragen die daar leven en aanpakken levert voor problemen waar men in het gemeentelijke sportbeleid mee worstelt. Ten tweede moet de kennis vertaald zijn naar de praktijk. Met een Engelstalig proefschrift kun je in de praktijk niet veel, met een toegesneden en begrijpelijk instrument, protocol, benchmark, interventiestrategie of een verhelderend inzicht wellicht wel. Ten derde moet wat men leert in de confrontatie van de kennis met de werkelijkheid, worden teruggekoppeld. Die terugkoppeling moet leiden tot aanpassingen en nieuwe toepassingen, al naar gelang de praktische context. Tot slot moet degene die in de praktijk werkt ook met de kennis kunnen werken. Met andere woorden: de sportambtenaar of buurtsportcoach moet leergierig zijn, met een minimaal begrip van en oriëntatie op de inzet van kennis.

Jammer genoeg is niet op deze manier naar (voorwaarden voor) ‘duurzame kennis’ gekeken. Want hiermee wordt duidelijk dat het cruciaal is om te denken in processen, en niet alleen in producten (zoals artikelen en proefschriften). In de sfeer van de topsport worden wetenschappers ingebed in trainingscentra, en topcoaches getraind in en ondersteund met het gebruik van wetenschappelijk onderbouwde inzichten en methoden. Het zou goed zijn als ook voor het breedtesportbeleid een soort proefstations zouden ontstaan, waar kennis gericht op sportstimulering duurzaam wordt ontwikkeld en wordt getoetst aan de immer weerbarstige werkelijkheid.

Hugo van der Poel is directeur van het Mulier Instituut