Bewegingsonderwijs

Basisschoolleerlingen zijn minder bewegingsvaardig dan tien jaar geleden

Met de rapportage Peil.Bewegingsonderwijs1, heeft de Onderwijsinspectie over 2016 de stand van zaken van het bewegingsonderwijs in beeld is gebracht. De belangrijkste conclusie: basisschoolleerlingen zijn minder bewegingsvaardig dan tien jaar geleden. Dat de bewegingsvaardigheden van leerlingen in de afgelopen tien jaar zijn gedaald, is in lijn met eerder onderzoek van het Mulier Instituut3 waaruit bleek dat de motorische fitheid van kinderen (10-12 jaar) ook in vergelijking met 25 jaar geleden gedaald is.

De ambitie van de overheid om meer lessen bewegingsonderwijs te laten geven op basisscholen heeft nog tot weinig resultaat geleid. In de afgelopen jaren is in het aantal lesminuten nauwelijks verandering opgetreden. Een 0-meting naar de situatie van bewegingsonderwijs en sport in 2013 van het Mulier Instituut bracht aan het licht dat een op de vijf basisscholen maar 1 uur bewegingsonderwijs per week gaf en dat dit soms gebeurde door onbevoegde leerkrachten. Veelal verzorgen de groepsleerkrachten deze lessen. Dit was aanleiding voor het Ministerie van OCW en de po-raad voor een Plan van aanpak bewegingsonderwijs om hierin verbetering te brengen en bij voorkeur drie lesuren te verzorgen. Toch blijkt uit de 1-meting in 2017 Bewegingsonderwijs en sport in het primair onderwijs 2017 dat de situatie nauwelijks is veranderd. Zo is de gemiddelde hoeveelheid lestijd nog steeds zo’n 90 minuten per week. Ook in 2017 gaf een op de vijf scholen een lesuur per week. Vakleerkrachten worden in 2017 in sterk stedelijke gebieden en in grote steden wel significant vaker ingezet.

Het onderzoeksrapport van de Onderwijsinspectie betreft gegevens over het onderwijsaanbod, de bewegingsvaardigheden en -achtergrond van kinderen in groep 8. Leerlingen in groep 8 van de basisschool scoren op vijf van de acht onderdelen met betrekking tot algemene motorische vaardigheden, kracht en fitheid lager dan leerlingen tien jaar geleden, zo blijkt uit Peil.Bewegingsonderwijs. Op alle onderdelen scoren leerlingen gemiddeld of ondergemiddeld ten opzichte van de normwaarden, met name op de onderdelen verspringen en 10×5 meter loop scoren kinderen laag.

De inzet van een vakleerkracht blijkt gerelateerd te zijn aan hogere scores van leerlingen op de totale bewegingsvaardigheid. Ook dit is niet verbazingwekkend in het licht van eerder onderzoek. Vakleerkrachten schatten hun competenties voor dit vak hoger in dan groepsleerkrachten (Peil.Bewegingsonderwijs) en ook schoolleiders beoordelen de bekwaamheid van vakleerkrachten hoger dan de bekwaamheid van groepsleerkrachten (1-meting Bewegingsonderwijs). Dat basisscholen toch niet werken met vakleerkrachten heeft organisatorische reden en gebrek aan budget hiervoor (Bewegingsonderwijs en vakleerkrachten5).

De mate van buitenschoolse (sport)activiteit blijkt samen te hangen met de totale bewegingsvaardigheid van leerlingen. Kinderen die buiten school actief zijn, scoren hoger op de verschillende onderdelen dan kinderen die buiten school niet actief zijn. Onderzoek van het Mulier Instituut dat kinderen steeds minder vaak en minder lang buitenspelen4, is in lijn met de ontwikkeling die in Peil.Bewegingsonderwijs wordt gesignaleerd.

Neem voor meer informatie contact op met Jo Lucassen.

1Klik hier voor de rapportage Peil.Bewegingsonderwijs (Onderwijsinspectie)

2Klik hier voor de rapportage ‘Bewegingsonderwijs en sport in het primair onderwijs 2017: 1-meting’ (Mulier Instituut)

3Klik hier voor de rapportage ‘Motorische fitheid van basisschoolkinderen (10-12 jaar). Factoren geassocieerd met snelheid, lenigheid en coördinatie’ (Mulier Instituut)

4Klik hier voor de factsheet ‘Ontwikkeling buitenspelen bij kinderen in Nederland’ (Mulier Instituut)

5Klik hier voor Bewegingsonderwijs en vakleerkrachten. Eindrapport (Regioplan/Mulier Instituut)