Topsportloopbanen: van start tot ster

Waar topsport in het verleden er door sommigen nog als een soort nevenactiviteit werd bijgedaan, verlangt het vandaag de dag een zeer toegewijde levensstijl, waarmee op steeds jongere leeftijd moet worden begonnen. Nederland zet hoog in op deze internationale medaillewedloop. Als gevolg van dit beleid krijgt het topsportregime een intensiever karakter en een grotere schaal. Van topsporters wordt steeds meer en op steeds jongere leeftijd verwacht dat zij fulltime met topsport bezig zijn en hiervoor andere zaken opofferen. Ex-topsporters ondervinden langduriger en nadrukkelijker de betekenissen en gevolgen van hun eerdere sportfocus. Deze ontwikkeling roept vele vragen op: over de achterliggende dynamiek en gevolgen van de vervroeging van de topsportloopbaan; over de ontwikkeling van de beroepsidentiteit en statuspositie van de topsporter en het rolmodel dat zij krijgen opgelegd; en over de achtergrond, aard, rationaliteit en (bedoelde en onbedoelde) gevolgen van de gestelde top tien-ambitie.

Binnen dit deelprogramma ‘Topsportloopbanen: van start tot ster’ worden, vanuit het perspectief van de hele topsportloopbaan, zes deelprojecten onderscheiden:

  1. Talenten: impact veranderend topsportklimaat op verenigingssport
    Er bestaat nog weinig aandacht voor de impact van een veranderend (top)sportklimaat op de grotere groep –niet geselecteerde- jongeren die lid zijn van een vereniging. Dit is een verkennend onderzoek naar de ervaringen en ideeën van jongeren in sportverenigingen ten aanzien van presteren, winnen en wedstrijden spelen. Dit onderzoek biedt tevens inzicht in hoe deze aspecten ingebed zijn in het beleid van verenigingen. Ook is het interessant om te kijken hoe deze aspecten (presteren, wedstrijden spelen en winnen) gerelateerd zijn aan leeftijd, gender, seksuele voorkeur en validiteit.
    Inge Claringbould is als onderzoeker bij dit onderzoek betrokken.
  2. Talenten: impact vervroeging ‘alles voor de sport’-mentaliteit
    In hoeverre hebben talenten, ouders en talentcoaches een gedeelde visie op optimale talentontwikkeling? Lukt het hedendaagse topsporttalenten om ook op school optimaal te presteren en wat is de impact van uithuisplaatsing (CTO’s) en talentuitval op het psycho-sociale welbevinden van jongeren?
    Aan dit onderzoek werken Agnes Elling, Niels Reijgersberg, Stephan Hakkers.

    Klik hier voor de in september 2014 verschenen rapportage Een kwetsbare balans. Talentcoaches en andere CTO-actoren over pedagogisch verantwoorde talentontwikkeling (pdf).

    Klik hier voor de in februari 2014 verschenen rapportage EYOF participants on EYOF and combining elite sports & education (pdf).

    Klik hier voor de in december 2013 verschenen rapportage Talenten in balans?! Talentcoaches en talentouders over pedagogisch verantwoorde ontwikkeling van jonge sporttalenten (pdf).

    Klik hier voor de factsheet Visies op talentontwikkeling. Talenten over hun trainer(s) en relaties met ouders en school van januari 2013 (pdf).

  3. Sportcelebrities, mediaconsumptie en eigen sportbeoefening. Vertogen over etniciteit en gender
    De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Welke betekenissen geven jongeren aan media-representaties van etniciteit en gender van sportcelebrities/topsporters, hoe onderhandelen ze deze representaties (acceptatie of kritisch), en hoe verhouden deze media recepties zich tot beleving van etniciteit en gender in de eigen sportbeoefening?
    Jacco van Sterkenburg is bij dit onderzoek betrokken.
  4. Invloed van rolmodellen op sportende jongeren met een beperking en de betekenis daarvan op het ‘identity work’ van de jongeren en het begin van hun sportloopbaan. Onderzoek naar de betekenissen die sportende jongeren met een lichamelijke beperking geven aan rolmodellen (bijv. Olympische en Paralympische topsporters, familieleden en trainers/coaches).
    Dit onderzoek is uitgevoerd door Bas van Haren.
  5. Gevolgen van het topsportregime voor verstandelijk gehandicapten
    Waarin en waarom verschilt het (op medailles gerichte) beleid in Canada en het (op deelname gerichte) beleid in Nederland ten aanzien van de Special Olympics en wat zijn hiervan de gevolgen voor de verstandelijk gehandicapten waarop dit beleid zich richt?
  6. Het topsportklimaat in internationaal-vergelijkend perspectief
    Dit project bouwt voort op de ‘driemeting topsportklimaat’ in Nederland die in 2011 plaatsvindt (na eerdere metingen in 1998, 2002 en 2008) en op SPLISS-2, de tweede internationale vergelijking van topsportbeleid, topsportprestaties en hun onderlinge relatie, in vijftien landen wereldwijd, gericht op de ontwikkeling van voorstellen voor vervolgonderzoek (EU en NWO).
    De betrokken onderzoekers zijn Bake Dijk, Sélène Brinkhof, Maarten van Bottenburg en Veerle de Bosscher.