Richtlijn Sportdeelname Onderzoek (RSO)

De Richtlijn Sportdeelname Onderzoek (RSO) is een gestandaardiseerde vragenlijst om de frequentie, sporttak, sportvorm, organisatievorm en accommodatiebenutting van grote bevolkingsgroepen in kaart te brengen. Het instrument is in de jaren negentig ontwikkeld door de juridische voorganger van het Mulier Instituut, in opdracht van het ministerie van VWS en in samenspraak met vertegenwoordigers van CBS, COS, DSP-groep, VSG, UvT, NOC*NSF, NISB, SCP en diverse gemeenten. Sindsdien wordt het veelvuldig gebruikt op nationaal en lokaal niveau.

Het Mulier Instituut heeft drie taken voor de RSO. Ten eerste de verdere ontwikkeling van het instrument. Zo worden er aanvullende modules ontwikkeld, bijvoorbeeld over accommodatiegebruik en actieve leefstijl (bewegen in het algemeen). Ten tweede om vragen van onderzoekers over het gebruik van dit instrument te beantwoorden. En ten derde om gegevens die met behulp van de RSO zijn verzameld bijeen te brengen en systematisch met elkaar te vergelijken. Dit biedt bijvoorbeeld mogelijkheden om na te gaan in hoeverre de sportdeelname in afzonderlijke gemeenten het resultaat is van de specifieke bevolkingssamenstelling of het gevoerde sportbeleid.

Wat is de RSO?

RSO staat voor Richtlijn Sportdeelname-Onderzoek. De RSO kent afspraken over de (basis)vraagstelling van grootschalig sportdeelname-onderzoek onder de bevolking op landelijk en gemeentelijk niveau. Ook bevat de RSO afspraken over de verwerking en de presentatie van gegevens.

Doel van de RSO is om het grootschalig bevolkingsonderzoek naar sportdeelname in de kern te standaardiseren, zodat de onderzoeksresultaten onderling beter vergelijkbaar worden. De standaardisatie betreft zowel de basismodule als de vragen uit de aanvullende/alternatieve modules. De vergelijkbare onderzoeksgegevens zullen worden verzameld en beschikbaar gesteld aan andere gebruikers. Op termijn moet dit leiden tot een betrouwbaar, representatief beeld van de sportdeelname in Nederland en de overeenkomsten en verschillen die hierin op lokaal niveau bestaan.

Er zijn richtlijnen opgesteld ten behoeve van de onderzoeksmethode, de doelpopulatie, het gebruik en de samenstelling van het toonblad met sporten, missing values en de weegprocedure (zie Onderzoeksprotocol).

Welke onderdelen kent de RSO?

Basismodule

Kern van de RSO is de basismodule. Hierin zijn alleen de meest elementaire vragen opgenomen. Iedere gebruiker van de RSO heeft de mogelijkheid om na deze vragen aanvullende vragen toe te voegen. Een exacte overname van de acht vragen van de basismodule is echter van groot belang om het doel van de RSO te bereiken.

Naast een basismodule voor schriftelijke enquêtes is er ook een basismodule voor telefonische enquêtes opgesteld. Voor dit onderscheid is gekozen omdat beide methoden verschillende mogelijkheden bieden. De methoden leiden overigens tot aanzienlijke verschillen in de onderzoeksresultaten. Voor het gebruik bij internet adviseren wij de schriftelijke versie te gebruiken.

Van de vragenlijsten is een aangepaste versie ontwikkeld die kan worden gebruikt in onderzoek onder kinderen van 6 t/m 11 jaar, respectievelijk 12 t/m 17 jaar (zie Downloadpagina). Voor beide leeftijdsgroepen is de formulering van de vragen uit de basismodule aangepast. In het eerste geval wordt via de ouders naar de sportdeelname van de kinderen gevraagd; in het tweede geval is de formulering aangepast aan de jeugdige leeftijd van de respondenten zelf. Ander onderzoek gebruikt een andere indeling, 6-14 jaar via de ouders, bij 15 jaar of ouder zelf in laten vullen (SportersMonitor).

Verkorte basismodule

Sinds 2010 is een verkorte module beschikbaar voor onderzoek via internet en via een papieren vragenlijst. Deze module bestaat uit de basisvragen (1e pagina) plus een vraag naar het lidmaatschap van een sportvereniging. De module is bedoeld voor omnibusvragenlijsten waarin vele onderwerpen aan bod komen en waarvoor de basismodule te lang is. Daarnaast is gebleken dat de (weggelaten) detailvragen van de basismodule lastiger zijn in te vullen en te verwerken (zie Downloadpagina).

Aanvullende modules

Om in te kunnen spelen op beleidsthema’s die voor gemeenten en andere organisaties van groot belang zijn, is een aantal aanvullende modules ontwikkeld. Deze modules zijn gestandaardiseerde vragenlijsten over één thema, die in aanvulling op de basismodule kunnen worden ingezet. De volgende modules zijn beschikbaar (zie Downloadpagina):

  • Accommodatiegebruik
  • Actieve leefstijl (beweeggedrag en leefgewoontes). Bevat ook de verkorte Squash-vragenlijst.


Wanneer een gemeente of organisatie onderzoek wil doen naar een van deze thema’s is het zinvol de betreffende module te gebruiken. Hierdoor zullen ook de resultaten van deze vragenlijst vergelijkbaar zijn met die van andere gemeenten waar dezelfde module is ingezet.

Onder andere de volgende modules van de SportersMonitor 2008 zijn beschikbaar:

  • Motieven wel/niet sporten
  • Attitude verenigingssport (stellingen)


Voor de volledige lijst zie Sportersmonitor (vragenlijsten 2008).

Verantwoording keuzes vragenlijst

Definitie van sport en sporter

De basismodule bestaat uit een beperkt aantal vragen. De opname van een vraag in de basismodule is bepaald op grond van de volgende overeengekomen definities van de begrippen sport en sporter.

"Sport is een menselijke activiteit die veelal plaatsvindt in een specifiek organisatorisch verband maar ook ongebonden kan worden verricht, doorgaans met gebruikmaking van een - al dan niet in de eigen woonplaats gesitueerde - ruimtelijke voorziening en/of omgeving, op een manier die is gerelateerd aan voorschriften en gebruiken die in internationaal verband ten behoeve van prestaties met een competitie- of wedstrijdelement in de betreffende activiteit of verwante activiteiten tot ontwikkeling zijn gekomen."

Sport is tevens een benaming voor de verzameling van menselijke activiteiten waarop de gegeven definitie van toepassing is. Op deze definitie voortbouwend wordt onder 'sporter' verstaan:

"Een sporter is iemand die een activiteit verricht met een zekere frequentie, veelal in een specifiek organisatorisch verband en doorgaans met gebruikmaking van een – al dan niet in de eigen woonplaats gesitueerde - ruimtelijke voorziening en/of omgeving, op een wijze die is gerelateerd aan voorschriften en gebruiken die in internationaal verband ten behoeve van prestaties met een competitie- of wedstrijdelement in de betreffende activiteiten of verwante activiteiten tot ontwikkeling zijn gekomen."

De vragen die in de RSO-basismodule zijn opgenomen, verwijzen alle naar één of meer bestanddelen uit deze definities. De definities zijn tevens gebruikt bij de samenstelling van een lijst met alle activiteiten die tot sport kunnen worden gerekend en de samenstelling van een toonblad dat een selectie van de meest voorkomende activiteiten bevat.

Uitwerking sportdefinitie

Als uitwerking van de voorgaande definities van sport hanteren we de volgende omschrijving van sport in de RSO:

"De volgende vragen gaan over sportbeoefening. Het gaat om activiteiten die u in de afgelopen twaalf maanden heeft verricht volgens gebruiken en regels uit de sportwereld. U moet dus denken aan bijvoorbeeld badminton, fitness, toerfietsen en schaken; niet aan bijvoorbeeld tuinieren, puzzelen of fietsen naar de bakker. Sporten die u tijdens de vakanties heeft beoefend, tellen wel mee; sporten tijdens lessen lichamelijke opvoeding op school niet."

Een letterlijke overname van deze introductie in het RSO-sportdeelname-onderzoek is essentieel om te bevorderen dat sport door respondenten in verschillende onderzoeken zoveel mogelijk op gelijkluidende wijze wordt opgevat.

Terugvraagperiode

De RSO gaat uit van een terugvraagperiode van twaalf maanden. Het nadeel hiervan is dat het voor de respondenten moeilijk te overzien is hoe vaak ze welke sport gedurende twaalf maanden hebben beoefend. Gezien het seizoensgebonden karakter van veel takken van sport is het echter een groot voordeel dat alle seizoenen zijn inbegrepen in een terugvraagperiode van een jaar. Vooraanstaande onderzoeken naar sportdeelname hebben in het verleden naar tevredenheid met dezelfde terugvraagperiode gewerkt. Een belangrijk argument voor een terugvraagperiode van twaalf maanden is voorts dat het vergroten van de vergelijkbaarheid tussen onderzoeken het centrale doel is van de RSO. Zeker als het gaat om onderzoeken die op wisselende tijdstippen worden uitgevoerd, ligt een terugvraagperiode van twaalf maanden voor de hand. In verband hiermee is het ook belangrijk dat de respondenten wordt gevraagd naar de sportbeoefening 'in de afgelopen twaalf maanden' en niet 'in het afgelopen jaar', omdat dit verward zou kunnen worden met kalenderjaar.

Gebruik en samenstelling toonblad met sporten

De ervaring heeft geleerd dat het gebruik van een lijst met sporten die aan respondenten wordt getoond, duidelijke voordelen heeft. De RSO schrijft het gebruik van een toonblad voor. In het geval van telefonische enquêtes kan dit alleen wanneer de adressen van de respondenten bekend zijn en het toonblad voorafgaand aan de enquêtering wordt opgestuurd. Zonder toonblad zal men sporten vaker vergeten waardoor een lagere sportdeelname ontstaat.

Het gebruik van een toonblad vraagt om richtlijnen over de samenstelling van de toonbladen en de precieze formulering van de opgenomen sporten. De basismodule geeft aan hoe dit toonblad er uitziet. Onderzoek heeft uitgewezen dat kleine verschillen in de samenstelling van toonbladen en de formulering van de sportactiviteiten (bijvoorbeeld wandelen in plaats van wandelsport) kunnen leiden tot grote verschillen in de onderzoeksresultaten. Wanneer wordt gekozen voor toevoeging of weglating van een aantal sporten heeft dit gevolgen voor de uitkomsten en daarmee voor de vergelijkbaarheid.

Verantwoording in vragenlijst opgenomen sporten

Het RSO-toonblad bestaat uit een selectie van de sportactiviteiten die worden onderscheiden. Deze selectie is gemaakt op grond van de volgende criteria:

  • Het toonblad bevat maximaal vijftig sporten.
  • In het toonblad worden alle sporten opgenomen die zijn vertegenwoordigd door een bij NOC*NSF aangesloten bond met minimaal 20.000 leden.
  • In het toonblad worden alle sporten opgenomen die door meer dan één procent van de respondenten worden beoefend volgens de proefonderzoeken.
  • Bij grensgevallen wordt voor sporten gekozen waarvan de beoefening om specifieke ruimtelijke voorzieningen vraagt.
  • Omdat het te hanteren toonblad een selectie bevat van het totaal aantal bestaande sportvormen moet het een categorie 'anders, namelijk...' bevatten.


De genoemde selectiecriteria worden gezamenlijk toegepast op verwante sporten wanneer bij de beoefening gebruik wordt gemaakt van dezelfde ruimtelijke voorziening. Steps en aerobics zijn daarom gezamenlijk op het toonblad opgenomen, maar zaalvoetbal en veldvoetbal niet. In het verlengde hiervan zijn de diverse vecht- en verdedigingssporten als één categorie opgenomen. Zij bestaan uit een groot aantal takken van sport die nauw met elkaar verwant zijn en veelal in dezelfde ruimtelijke omgeving worden beoefend, maar (met uitzondering van judo) als afzonderlijke activiteiten niet de ondergrens halen van 20.000 leden of één procent respondenten.

Bij de naamgeving van de sporten is zoveel mogelijk afgegaan op de naamgeving die door de bonden wordt gehanteerd.

Lokale bijzonderheden kunnen aanleiding zijn om het toonblad uit te breiden met een enkele sport, bijvoorbeeld kaatsen wanneer de gemeente Franeker onderzoek naar sportdeelname verricht. Een dergelijke sport komt landelijk niet boven de één procent norm, maar plaatselijk mogelijk wel. Een dergelijke keuze moet worden gemaakt op grond van eerder lokaal of regionaal onderzoek.

Onderzoeksprotocol

Om de vergelijkbaarheid van de resultaten van RSO-onderzoek te waarborgen, is het niet alleen nodig om dezelfde vragen te stellen, maar ook om onderzoek met dezelfde methode te verrichten en de data op gelijke wijze te analyseren. Onderstaand worden verschillende aspecten van de RSO toegelicht en een aantal richtlijnen gegeven voor het uitvoeren van RSO-onderzoek.

Onderzoeksmethoden

De RSO biedt richtlijnen voor zowel schriftelijke als telefonische enquêtes. Hierbij is rekening gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van deze methoden. Dit heeft geresulteerd in twee verschillende basismodules. Voor internet onderzoek adviseren wij het gebruik van de schriftelijke versie of de versie die in de SportersMonitor 2008 is gebruikt. Het verschil tussen de basismodules is dat in telefonische enquêtes om praktische redenen wordt doorgevraagd naar alleen de meest beoefende sport en in de overige enquêtes naar de drie meest beoefende sporten. Het is daarmee onverantwoord om zonder voorbehoud onderzoeksgegevens te vergelijken die met verschillende methoden zijn verzameld. De verschillen tussen de methoden leiden namelijk tot grote verschillen in de resultaten. Wanneer de RSO face-to-face wordt afgenomen, kan naar eigen inzicht voor één van beide versies worden gekozen. De RSO is uitsluitend bedoeld voor persoonlijke enquêtes, niet voor huishoudensenquêtes. Het invullen van de basismodule duurt maximaal tien minuten.

Doelpopulatie

Alle inwoners van Nederland, van 6 jaar of ouder. Kinderen van 6 t/m 11 jaar worden, met een aangepaste formulering, via de ouders of verzorgers geënquêteerd. Voor kinderen van 12 t/m 17 jaar is eveneens een aangepaste formulering nodig. Beide aangepaste basismodules zijn te vinden op onze downloadpagina.

Steekproef onderzoek

Voor gemeentelijk onderzoek is een steekproef uit het Gemeentelijk Basisadministratie de beste mogelijkheid. Dit maakt de keuze voor een schriftelijk onderzoek voor de hand liggend. Het is ook mogelijk om de steekproef een brief te sturen met een uitnodiging om op internet deel te nemen aan de RSO-enquête. Stadspanels met internetters zijn niet altijd op basis van een random selectie van de deelnemers samengesteld. Deze zijn om deze reden niet geschikt voor het maken van schattingen over bijvoorbeeld het aantal sporters in een gemeente. Telefonisch onderzoek kent dikwijls ook geen goede steekproeven aangezien het belangrijkste steekproefkader, het telefoonboek, tegenwoordig sterk selectief is (veel mensen met vast nummer zijn niet meer op genomen in het telefoonboek of zijn opgenomen in het Belmeniet-register en mensen die geen vast nummer meer hebben zijn vaker eenpersoonshuishoudens).

Voor steekproeven is het minimum aantal respondenten voor betrouwbare en nauwkeurige uitspraken 380 (met 95% betrouwbaarheid). Wanneer ook voor deelpopulaties uitspraken gewenst zijn, geldt dit aantal per deelpopulatie.

Gebruik en afstemming toonblad

De RSO schrijft het gebruik van een toonblad voor. In het geval van telefonische enquêtes kan dit alleen wanneer de adressen van de respondenten bekend zijn en het toonblad voorafgaand aan de enquêtering wordt opgestuurd. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan is bij telefonisch onderzoek het voorlezen van de antwoordmogelijkheden het beste alternatief. Proefonderzoek heeft uitgewezen dat kleine verschillen in het toonblad tot grote verschillen in de uitkomsten kunnen leiden (bijvoorbeeld zwemmen en zwemsport). Wel kunnen lokale bijzonderheden aanleiding zijn om het toonblad uit te breiden met een enkele sport, zoals kaatsen in Franeker. Hanteer hierbij de criteria die aan de samenstelling van het toonblad ten grondslag liggen (zie Verantwoording).

De categorie 'anders, namelijk ...' benadrukt de breedte van de sportdefinitie. Onderzoekers dienen de antwoorden die hier door de respondenten worden gegeven na te kijken en waar nodig te hercoderen alvorens met de analyses van de basismodule te beginnen. Wanneer bijvoorbeeld bij 'anders, namelijk ...' karate is ingevuld, dient dit te worden gehercodeerd naar vecht- en verdedigingssporten. Wanneer er een activiteit wordt ingevuld die niet binnen de door de RSO gehanteerde definitie van sport valt, dient deze te worden verwijderd (als het de enige sportieve activiteit is dan moet de categorie Geen sport worden aangezet en Anders uitgezet).

Wanneer de vragen door een enquêteur worden afgenomen (telefonisch, face-to-face), dient hij/zij bij het stellen van de vragen alle antwoordcategorieën op te noemen. Na iedere antwoordcategorie kan de respondent aangeven of dit antwoord op zijn/haar sportbeoefening van toepassing is geweest. Dit voorkomt dat de respondent aspecten van zijn of haar sportbeoefening vergeet.

Missing values

Missing values dienen bij de analyses buiten beschouwing te worden gelaten. Aanbevolen wordt een onderscheid te maken tussen respondenten die geen van de vragen van de RSO-basismodule hebben ingevuld en respondenten die niet aan sport doen en daarom vraag 2 tot en met 7 kunnen overslaan. Eerstgenoemden dienen, in tegenstelling tot de niet-sporters, niet te worden meegenomen in de analyses en tellen dus ook niet mee als percenteerbasis voor de kengetallen.

Weegprocedure

De RSO wil onder meer bepalen hoe hoog de sportparticipatiegraad in een gemeente is en of die hoger of lager is dan in een andere gemeente. Als de respons binnen een gemeente niet representatief is voor de hele populatie doordat personen met bepaalde kenmerken sterk over- of juist ondervertegenwoordigd zijn, is een vergelijking niet goed mogelijk. Aanbevolen wordt daarom de respons achteraf te herwegen op geslacht, leeftijd en indien mogelijk op etniciteit. Indien er gegevens beschikbaar zijn over opleidings- en inkomensniveau en huishoudensituatie, factoren die sportgedrag beïnvloeden, wordt tevens aanbevolen hierop te wegen.

Een belangrijk uitgangspunt bij wegen is dat de respondenten uit de ondervertegenwoordigde groep(en) wel representatief zijn voor hun groep. Wegen kan namelijk een sterke vertekening geven als deze veronderstelling niet opgaat. Een vuistregel om in het algemeen een te sterke vertekening te voorkomen, is dat een weegfactor niet kleiner mag zijn dan 0,25 en niet groter dan 4, zodat iedere respondent hooguit vier keer meetelt. Wat daarbij vooral belangrijk is, is dat de hoge weegfactoren weinig voorkomen, als er één factor met het gewicht 7 voorkomt is dat minder problematisch dan als 20 procent van de gewichten 3,5 groot is.

Referentiecijfers RSO

Het Mulier Instituut heeft de belangrijkste RSO resultaten in een Excel spreadsheet gezet. De gegevens zijn afkomstig van het landelijk uitgevoerde onderzoek Sportersmonitor 2008. De spreadsheet is hier te downloaden.

Ontwikkelgroep RSO

Na de eerste ontwikkeling rond het jaar 2000 is het Mulier Instituut sinds het voorjaar van 2008 weer aan de slag gegaan met de ontwikkeling van de RSO. In eerste instantie is in juni 2008 een expertgroep samengekomen om over de toekomst te praten. Vervolgens is door het Ministerie van VWS een subsidie toegekend om de RSO te verbeteren. Als onderdeel is een contactgroep gevormd met instellingen die grootschalig sportonderzoek verrichten.

Downloads vragenlijsten

Om u van dienst te zijn bij de uitvoering van de RSO wordt op deze pagina de mogelijkheid geboden om diverse vragenlijsten te downloaden.

Vragenlijst basismodule

Alle versies bevatten de meest actuele lijst met sporten (RSO-3), op verzoek zijn ook de versies met een andere lijst met sporten beschikbaar (RSO-2).

Basismodule Internet, zie vragenlijst SportersMonitor 2008, blok A (voor kinderen en volwassenen)

Verkorte basismodule (internet/schriftelijk)

Basismodule Schriftelijke Enquête

Basismodule Schriftelijke Enquête Jeugd 6 t/m 11 jaar

Basismodule Schriftelijke Enquête Jeugd 12 t/m 17 jaar

Via een e-mail kunt u om de telefonische vragenlijsten verzoeken.

Aanvullende modules

Beschikbaar, maar nog niet in de praktijk getest, zijn de volgende aanvullende/alternatieve modules:


In 2008 is een grootschalig onderzoek naar sportdeelname van mensen met een beperking uitgevoerd ((On)beperkt sportief). De vragenlijsten hiervan zijn tevens beschikbaar.

Daarnaast is ook in 2008 de SportersMonitor uitgevoerd met een groot aantal sportgerelateerde onderwerpen. Deze aanvullende modules zijn ook beschikbaar (zie SportersMonitor).

Bent u op zoek naar informatie die nog niet is beschreven in een publicatie van het Mulier Instituut of het Sociaal en Cultureel Planbureau dan is een analyse van bestaande databestanden mogelijk. Het Mulier Instituut beschikt over de databestanden van grootschalige onderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau te Den Haag (AVO-onderzoeken). Tevens is het mogelijk analyses uit te laten voeren op basis van de onderzoeken van de SportersMonitor.

Aan wat voor informatie kunt u denken?

  • Verhouding sportende mannen en vrouwen, jongeren en ouderen naar sport. Maar ook bijvoorbeeld naar opleiding, inkomen of gezinssamenstelling;
  • vergelijking met andere sporten;
  • vergelijkingen in de tijd (vanaf 1979);
  • percentage sporters naar doelgroep;
  • motivatie per sport;
  • loopbanen van sporters.


Klik hier voor een aantal voorbeeldtabellen.

Opdrachtgever

Ministerie van VWS

Contactpersoon

drs. Remko van den Dool