Maatschappelijke betekenis van topsport
Steeds meer landen streven topsportsucces na door op een strategische en systematische wijze hun topsportklimaat te verbeteren. Dat streven is niet alleen een zaak van sportorganisaties. Wereldwijd is een tendens gaande van toenemende overheidsondersteuning en groeiende overheidsinvesteringen; met als gevolg dat de concurrentie toeneemt, het niveau hoger wordt, en de prijs van een kampioenschap stijgt (De Bosscher et al. 2008). Nederland is hierop geen uitzondering. Ook in ons land is sprake van toenemende uitgaven aan topsport uit overheidsbudgetten, Lotto-gelden en private middelen, met toenemende kosten per medaille (Algemene Rekenkamer 2008; Van Bottenburg 2009).
Vragen die daarbij opkomen zijn: Om welke publieke belangen gaat het precies? Welke werking wordt aan topsport toegeschreven? Welke effecten gaan van topsport uit op de samenleving? Welke maatschappelijke betekenis heeft topsport? In hoeverre gaat het hierbij om beleidsmatige aannames en/of om empirisch onderbouwde claims? De vraag waarom overheden in topsport investeren kent bovendien bestuurlijk-inhoudelijke aspecten: in hoeverre gaat het bij topsportsucces om een public good? Is er sprake van een free rider problematiek? Welke maatschappelijke effecten treden ook op zonder overheidsinterventie?
Er is momenteel geen publicatie voorhanden die een state-of-the-art en up-to-date antwoord op deze vragen geeft.
De probleemstelling van het onderzoek luidt als volgt:
Welke maatschappelijke betekenissen worden vanuit beleid en praktijk aan topsport toegekend (ad 1), hoe zijn de functies en effecten die aan topsport worden toegeschreven op een systematische wijze te ordenen en met elkaar in verband te brengen (ad 2), welke empirische onderbouwing is voor deze functies en effecten in de internationale wetenschappelijke literatuur te vinden, en wat is er bekend over de voorwaarden waaronder die functies en effecten worden gegenereerd (ad 3)?
