De geschiedenis van de toekomst van sportaccommodaties

Door Hugo van der Poel, Mulier Instituut

RIVM en SCP voeren op verzoek van het ministerie van VWS een Sport Toekomst Verkenning (STV) uit. Onderdeel van die verkenning zijn accommodaties en de beweegvriendelijke omgeving. De STV is een goede aanleiding om eens terug te kijken naar eerdere toekomstverkenningen, om te zien of, en in welke mate, we nu in de toekomst leven die toen werd voorzien. En wat kunnen we leren van deze terugblik, als we ons opnieuw aan een toekomstverkenning wagen?

Groeiende ruimte voor sport?

In een recent artikel in Sport & Strategie (van der Poel 2015) is ingegaan op de vraag wat er is uitgekomen van voorspellingen ten aanzien van de ontwikkelingen in de benodigde ruimte voor sport.  Zowel Stichting Recreatie/Alterra (2005) als van der Poel (2001) hadden voorspeld dat het aantal hectare sportterrein in 2020 zou uitkomen op 40.000 hectare. Volgens de Rapportage Sport 2014 was het aantal hectare sportterrein in 2010 34.500 ha. Dat is 2.000 ha minder dan voorspeld. Het artikel bespreekt de verklaringen voor de afwijkende ontwikkeling en komt op basis van nieuwe inzichten tot de voorspelling dat het aantal hectare sportterrein tot 2020 waarschijnlijk eerder zal afnemen dan verder zal groeien, en op zo’n 35.000 hectare in 2020 gaat uitkomen. Hierbij spelen vooral de ontwikkelingen in voetbal en golf een rol. Deze twee sporten samen bleken in 2010 goed voor ongeveer twee derde van het ruimtegebruik door sport, waarmee dat ruimtegebruik dus extreem gevoelig is voor de ontwikkelingen in juist deze twee sporten. De les die hieruit kan worden getrokken is dat voorspellingen over de toekomst van de sport, en meer in het bijzonder de sportaccommodaties en de beweegvriendelijke omgeving, gebaat zijn met inzicht in de ontwikkelingen per sport, en te verwachten verschuivingen tussen vormen en takken van sport (en recreatie en bewegen).

Overigens kwam het rapport Ruimte voor sport (Stichting Recreatie/Alterra 2005) al op ‘inductieve’ wijze tot stand. Dat wil zeggen dat de uiteindelijke voorspelling van een doorgroei naar 40.000 ha sportterrein de optelsom was van de verwachte groei/afname van het aantal accommodaties in de 28 belangrijkste takken van sport, waarbij die voorspellingen in belangrijke mate waren gestoeld op de verwachte demografische ontwikkelingen. Een soortgelijke meer recente exercitie is in hoofdstuk 7 van Sportaccommodaties in beeld te vinden (Hoekman e.a. (red.) 2013). De interessante toevoeging in dit rapport is dat de verwachte demografische ontwikkelingen, vertaald in de verwachte vraag naar sportaccommodaties, zichtbaar worden gemaakt op regionaal niveau. Daarmee wordt duidelijk dat de toekomst van sportaccommodaties er in Noordoost Groningen anders uitziet dan in de Noordvleugel van de Randstad, en er voor het (sportaccommodatie)beleid zich dus verschillende opgaven aftekenen, afhankelijk van de regio.

Beleidsgerichte toekomstverkenning

De STV gaat niet alleen over de ruimtelijke kant van de sport, maar over alle aspecten van de sport. Dat was ook het geval bij de beleidsgerichte toekomstverkenning die eind jaren negentig in opdracht van VWS is uitgevoerd door medewerkers van het departement Vrijetijdwetenschappen van de toenmalige Katholieke Universiteit Brabant (Van den Heuvel en van der Poel 1999). Deze studie borduurde zelf weer voort op twee publicaties uit het begin van de jaren negentig, beide ook in opdracht van (de voorloper van) VWS: het welbekende essay Over de versporting van de samenleving van Crum (1991) en het rapport Nieuwe verhoudingen in de sport van Beckers en Serail (1991). In dit laatste rapport werden drie scenario’s gepresenteerd waarin beschreven werd hoe de sport en in het bijzonder het sportbeleid zich zouden kunnen gaan ontwikkelen. Die scenario’s zijn geëvalueerd in de toekomstverkenning die werd uitgevoerd in 1999, en later nog eens door Van den Heuvel en van der Poel in 2004.

Vervaging van grenzen

De belangrijkste tendens die Crum al met de titel van zijn essay onder de aandacht bracht, en door vrijwel iedereen ook als zodanig werd her- en erkend, was de vervaging van de grenzen tussen sport en samenleving. Sport was (en is) niet langer te beschouwen als een eiland. ‘Sportieve’ aspecten zijn overal zichtbaar in de samenleving (mode, taalgebruik van politici, media, etc.) en omgekeerd laten allerlei maatschappelijke ontwikkelingen hun sporen na in de sport. De beleidsmatige pendant van deze ontwikkeling is de integralisering van beleid. De ‘versporting van de samenleving’ werd door Crum opgevat als een soort resultante van twee onderliggende bewegingen: de ontsporting van de sport en de versporting van de sport. Bij de ontsporting van de sport beschreef Crum de opkomst van allerlei nieuwe activiteiten, die wel bepaalde kenmerken van sport hadden en (daarmee) aan sport verwant waren, maar niet álle kenmerken die de ‘traditionele’ sport typeerden. Zo lijkt fitness wel op sport en kan het een element zijn van training voor een bepaalde sport, maar als zelfstandige activiteit mist het voorheen sportdefiniërende kenmerken zoals competitie en verenigingsleven. Met de versporting van de sport signaleerde Crum een extreme doorontwikkeling van het prestatiestreven in de sport, ten koste van andere waarden, zoals fair play en amateurisme.

Hoewel Crum zelf niet is ingegaan op de toekomst van de sportaccommodatie, is niet zo moeilijk in te zien wat de implicaties zijn geweest van de ontsporting en versporting van de sport voor het landschap van sportvoorzieningen: dat is hiermee vooral veel diverser geworden. De opkomst in de jaren negentig en ontwikkeling daarna van bijvoorbeeld fitnesscentra, klimhallen, skateparks, trampolinehallen en bootcamps in de openbare ruimte, is de fysieke component van de proliferatie van ‘sportachtige’ activiteiten. Het is ook in functie van deze ontwikkeling dat ‘de sportsector’ en ‘het sportbeleid’ zich nu meer en meer gaan bekommeren om de ‘beweegvriendelijke omgeving’, waar de grenzen tussen sport, recreatie, bewegen en welzijn geheel vervagen. De versporting van de sport heeft zich gelijktijdig vertaald in de opkomst van accommodaties die nadrukkelijk zijn gebouwd en worden geëxploiteerd ten behoeve van de topsport. Denk bijvoorbeeld binnen de sporthallen aan de opkomst van de permanente turnhallen en bijzondere accommodaties zoals het Pieter van den Hoogenband zwembad in Eindhoven, (het vernieuwde) Thialf in Heerenveen, het Topsportcentrum Rotterdam en Omnisport in Apeldoorn.

Vooruitblik naar 2020

In de beleidsgerichte toekomstverkenning Sport in Nederland werd de differentiatie en vermaatschappelijking van de sport nog steeds gezien als de meest dominante trend richting 2020. Meer specifiek met het oog gericht op accommodatie en de ruimtelijke kant van sport werd, net als bij de andere aspecten van sport, eerst ingegaan op de ontwikkelingen in de maatschappelijke context van het (toenmalige) sportbeleid, en daarna een vooruitblik geschetst op 2020. Ontwikkelingen in de toenmalige beleidscontext die min of meer zijn uitgekomen en doorgezet naar nu zijn de toenadering tussen school en sport; de toenemende conflicten tussen joggers, ruiters, fietsers, skaters enz. bij het gebruik van de openbare ruimte, met name in de drukker wordende steden; en het gebruik van sport(voorzieningen) in stedelijke ontwikkeling, ter bevordering van de leefbaarheid en bij de herinrichting van het landelijke gebied. Ontwikkelingen die zich nauwelijks of niet hebben voorgedaan of zich in mindere mate dan verwacht hebben doorgezet, zijn de vergaande differentiatie in sportvoorzieningen voor hoge en lage inkomensgroepen, en de verdrijving van sportvoorzieningen uit het stedelijk weefsel, met als gevolg dat de afstand tot voorzieningen voor bepaalde groepen te groot zou worden.

McSport

Bij de vooruitblik naar 2020 werd allereerst de verwachting uitgesproken dat er wereldwijd een McSport-achtig aanbod te vinden zou zijn van transnationaal opererende bedrijven, die voor een continu-aanbod van sport- en beweegactiviteiten zouden zorgen, en waartoe men toegang zou hebben met een sportcard. Die sportcard werd voorgesteld als een soort creditcard, waarop allerlei gegevens zouden worden geregistreerd. De kaart zou ook thuis gebruikt kunnen worden en allerlei vormen van cybersport mogelijk maken (a.w., 124). De verwachte functionaliteiten van de sportcard zijn voor een groot deel werkelijkheid geworden, zij het dan in de vorm van apps. Ook de virtuele ‘sportomgevingen’, waarin aan (internationale) denksport(competities), behendigheidsspelen, races en gokken op sport kan worden deelgenomen, zijn herkenbaar in onze tijd. Wel is het zo dat deze ontwikkelingen zich vooral naast het fysieke aanbod van sportvoorzieningen hebben voorgedaan, en dat in het fysieke aanbod zelf de internationalisering tot nu toe zich maar in beperkte mate voordoet. De fitnessketens zijn (onderdeel van) internationale ketens, maar bij de rest van de sportvoorzieningen zien we (nog) geen ketenvorming, of beperkte ketenvorming op min of meer nationaal niveau (bijvoorbeeld bij de zwembaden).

Grondprijzen

Een tweede verwachting was dat de ontwikkeling van sportaccommodaties zou worden beïnvloed door ontwikkelingen in de grondprijzen. Kort gezegd werd verwacht dat veel ruimtevergende sporten onder druk zouden komen staan in gebieden met hoge en stijgende grondprijzen, tegen de achtergrond van een streven naar ‘rentabiliteitsverhoging’ (a.w., 126). De verwachting dat dit zou leiden tot een streven naar meervoudig (multifunctioneel) gebruik van voorzieningen en continu te gebruiken ‘kunststof’ sportvloeren is uitgekomen. Van stapeling van sportvloeren is nog niet zoveel terecht gekomen, hoewel in Utrecht bijvoorbeeld al wel een voetbalveld op het dak van een IKEA-vestiging is gebouwd. Een kanttekening hierbij is dat bij de sport waar deze ontwikkeling het meest relevant is – voetbal – het erop lijkt dat er vaak ‘politieke’ steun is voor het behoud van voetbalvelden, zolang die in een aanwijsbare behoefte voorzien en/of een duidelijke maatschappelijke meerwaarde hebben.

Duurzaamheid

Als derde werd voorzien dat de wereld van de sport te maken zou krijgen ‘met het streven naar duurzame ontwikkeling en beperking van milieuschade’ (a.w., 127). De recent afgesloten Green Deal, waarbij de bouwers, beheerders en exploitanten van buitensportvoorzieningen een paar jaar de tijd (lees: uitstel) krijgen om uit te vinden hoe sportvelden kunnen worden beheerd zonder het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen, is een goed voorbeeld van de hier verwachte ontwikkeling. Net als de nieuwe subsidieregeling voor het aanbrengen van energiebesparende maatregelen bij sportverenigingen en de discussie over een mogelijk verbod van het gebruik van drinkwater voor de beregening van sportvelden.

Drijvende krachten en omslagpunten

Terugkijkend valt op dat zaken die min of meer ‘logisch’ voortvloeien uit basale ‘drijvende krachten’ op enigerlei wijze werkelijkheid worden. Drijvende krachten zijn in elk geval de demografie, het winst/rentabiliteitsstreven (meer effect voor minder geld), streven naar meer duurzaamheid en de toenemende differentiatie (binnen de sport door Crum beschreven als de versporting van de samenleving). Technologie en wet- en regelgeving ‘volgen’ in belangrijke mate deze drijvende krachten en geven daar op ‘enigerlei wijze’ vorm aan. Anders gezegd, het lijkt erop dat – als het om de toekomst van sportaccommodaties gaat – het belangrijker is zicht te hebben op ‘behoeften/de vraag’ dan op het ‘aanbod’. Hoewel het deels wel weer zo zal zijn dat hoe we die behoefte/vraag formuleren afhangt van het besef van potentiële aanpassingen in het aanbod. Dat geldt bijvoorbeeld voor de hierboven beschreven ontwikkelingen ten aanzien van ‘kunststof’ sportvloeren en de ‘sportcard’.

Wat logischerwijs veel moeilijker te voorzien is, is ‘onlogisch’/willekeurig/emotioneel beleid en omslagpunten/nieuwvorming als gevolg van het op een of andere manier gaan samenlopen van op zich voorziene ontwikkelingen. Zo was het (‘gedoogde’) kabinet Rutte 1 zelf al redelijkerwijs niet te voorzien, en is er geen logische of inhoudelijke onderbouwing van het geheel ‘afschaffen’ van het recreatiebeleid door dit kabinet. Met het oog op de vergrijzing, de obesitas-epidemie, het zoeken naar nieuwe inkomstenbronnen voor de plattelandsbevolking, de opkomst van sporten en sportief bewegen in de openbare ruimte en het optimaliseren van het gebruik van natuurgebieden, was het juist logischer geweest dat onder de vlag van het recreatiebeleid was geïnvesteerd in het beweegvriendelijker maken van onze omgeving. Een voorbeeld van zo’n moeilijk te voorspellen omslagpunt zou zich voor kunnen doen als het Sportbesluit (btw-voordeel bij het bouwen van sportaccommodaties) vervalt, én verenigingen en stichtingen vennootschapsbelasting moeten gaan betalen, én de uitzondering voor sport(accommodaties) op basis van ‘algemeen belang’ in de Wet Markt en Overheid  vervalt, én de gokopbrengsten bij vrijgeving van de gokmarkt voortaan naar het buitenland vloeien en niet meer naar de Nederlandse sport, én er een strengere milieuwetgeving van toepassing wordt, met kostenverhogende effecten op de sport. Op zich zijn dit allemaal mogelijke ontwikkelingen, waarin een eigen logica is te zien. Maar als ze zich allemaal min of meer tegelijkertijd gaan voordoen, wat zal dan het gecombineerde effect zijn?

Tot slot

In de STV zullen uiteindelijk verschillende scenario’s worden ontwikkeld. Het ligt voor de hand om daarbij te werken met een ‘basisscenario’, waarin duidelijk wordt wat het doortrekken van ontwikkelingen, gestuwd door de belangrijkste drijvende krachten, voor effecten gaat hebben. Dit vergt degelijk wetenschappelijk vakwerk bestaande uit een theoretisch model met daarin de drijvende krachten, en (statistisch verantwoorde) extrapolaties. Vervolgens zal men, voor de variaties op het basisscenario, creatief en met een groot voorstellingsvermogen moeten durven denken buiten de logische denklijnen in het verlengde van de diverse onderscheiden drijvende krachten. Wat zou er kunnen gebeuren als in verschillende van die denklijnen extremen min of meer tegelijkertijd werkelijkheid worden, wat voor omslagpunten worden dan zichtbaar? Voorwaar een boeiende exercitie!

Literatuur

Beckers, Th. en T. Serail (1991) Nieuwe verhoudingen in de sport. De toekomst van het nationaal sportbeleid in het licht van maatschappelijke ontwikkelingen. Tilburg: KUB/IVA/VTW.

Crum, B. J. (1991) Over de versporting van de samenleving. Reflecties over bewegingsculturele ontwikkelingen met het oog op het sportbeleid. Rijswijk: ministerie van WVC.

Heuvel, M. van den, en H. van der Poel (1999) Sport in Nederland. Een beleidsgerichte toekomstverkenning. Haarlem: de Vrieseborch.

Heuvel, M. van den, en H. van der Poel (2004) Richting zoeken voor het nationaal sportbeleid. In Bargeman, B., K. Breedveld en H. Mommaas (red,.) (2004) De veranderende tijd: opstellen over tijd en vrijetijd. Tilburg: UvT/VTW, 185-198.  

Hoekman, R., K. Hoenderkamp en H. van der Poel (red.) (2013) Sportaccommodaties in beeld. Nieuwegein/Utrecht: Arko/Mulier Instituut.

Poel, H. van der (2001) Bewegingsruimte. Verkenning van de relatie sport en ruimte. Haarlem: de Vrieseborch.

Poel, H. van der (2015) Afnemende groei van ruimte voor sport. In Sport & Strategie 8 (3), 32-33.

Stichting Recreatie/Alterra (2005) Ruimte voor sport in Nederland tot 2020. Cijfers en kansen. Arnhem: NOC*NSF.

Tiessen-Raaphorst, A. (red.) (2015) Rapportage Sport 2014. Den Haag: SCP.

 

sportexpert logo

Dit artikel is verschenen in Sportexpert. De online kennisservice voor iedereen die zich (beroepsmatig) bezighoudt met sport en bewegen.