Sportaccom (column)

De column van Remco Hoekman in Sportaccom (6-2017)

Ten koste van wie?

In het streven om te komen tot doelmatig en effectief sportbeleid kijken gemeenten uiteraard ook waar ‘winst’ te halen valt in het accommodatiebeleid. Daarbij zijn er simpel gesteld drie knoppen om aan te draaien: beheer, capaciteit en tarieven. Betere aansluiting van vraag en aanbod van voorzieningen (capaciteit) leidt tot een betere bezetting en daarmee een effectiever sportbeleid. De tarieven bepalen voor een groot deel wat er aan geld binnenkomt en daarmee ook indirect wat er overblijft aan gemeentelijke steun om de accommodaties in stand te houden. Waar het beheer aangaat, is het wat complexer. Daar zijn tal van mogelijkheden om invulling te geven aan het beheer, waarbij de vraag blijft wat daarbij het meest kosteneffectief is.

Wat de beste constructie is, is sterk afhankelijk van de lokale uitgangssituatie. Door het hele land heen komen tal van constructies voor, waarbij er niet één als meest succesvol aan te wijzen is. Het is de context die bepaalt of iets wel of niet werkt. Daarom blijven vraagstukken van privatisering, verzelfstandiging of het overdragen van onderhoudstaken lokaal maatwerk. Daarbij moet wat mij betreft ook duidelijk de vraag worden gesteld of de wens om het effectiever en goedkoper te doen, niet ten koste gaat van iets of iemand. Kan het met een andere partij efficiënter en daarmee goedkoper, of gaat dit ten koste van de sporter, de aanbieder of de kwaliteit van de accommodatie? Met andere woorden, betaalt iemand anders de rekening als de gemeente het niet meer doet?

Nu weet ik dat er tal van voorbeelden zijn van succesvolle trajecten waarbij het voor alle partijen beter is geworden bij een keuze voor een andere beheervorm. Daar had ik een loftrompet over af kunnen steken en aansluitend gemeenten kunnen oproepen om dit voorbeeld te volgen. Maar in deze column wens ik graag in te zoomen op een heel specifiek onderdeel en de vinger op een zere plek te leggen. Een zere plek die voor een deel is gekoppeld aan wijzigingen in beheervormen, maar vooral past in een bredere discussie over marktwerking in de sportsector en minder overheidssteun in de sport.

Een recent nieuwsbericht in de Volkskrant stelde vast dat werknemers in de sport en recreatiesector slecht af waren. Bij een overzicht van koopkrachtontwikkelingen van werknemers in diverse sectoren staan de werknemers in sport en recreatie stijf onderaan. Vanaf 2000 hebben zij een vijfde van de koopkracht zien verdampen. Dat hakt erin. Zeker als je weet dat in 2011, ook in de Volkskrant, de sport en recreatiesector al werd betiteld als slechtst betalende sector voor HBO-ers en academici. Dat roept vragen op over de toekomst van werknemers in deze sector en over de toekomst van de sector zelf. Wat betekent dit voor de gewenste professionalisering en de grotere verantwoordelijkheden van sportorganisaties, niet alleen waar het gaat om beheervraagstukken, maar ook gerelateerd aan het sociaal domein en gezondheidsbevordering?

Dus ja, het kan vast goedkoper dat beheer van sportaccommodaties en alles wat daar bij hoort. Maar laten we de werknemers in de sport en recreatiesector niet nog verder uitwringen. Het zijn deze mensen die met steeds meer verantwoordelijkheden lokaal het verschil maken en van betekenis zijn voor de samenleving.

 

 

 

 

Remco Hoekman
senior onderzoeker Mulier Instituut